Opiniestuk European Mobility Week: spotlight op de fiets en voetganger!

De European Mobility Week richt in 2019 zijn pijlen op veilig wandelen en fietsen. Je zou je afvragen: Waarom? Waarom nu? Waarom nu pas?

Veilig wandelen en fietsen is toch vanzelfsprekend?

In een dichtbevolkt land als Nederland verwachten we dat we dagelijks in een veilige omgeving naar school kunnen lopen of fietsen. En na het fietsexamen op de lagere school sturen we de kinderen zelfstandig op pad. Vanzelfsprekend toch?

Ook veilig fietsen naar het werk is eigenlijk een gewoontegoed geworden in Nederland. Niet dat iedereen naar het werk fietst; maar als we dat doen, moet de infrastructuur en omgeving veilig en aantrekkelijk zijn, toch? We verwachten het gewoon en vinden het de normaalste zaak van de wereld.

Verwachting is in dit geval noodzaak.

Als ik alleen kijk voor de situatie in Nederland, hebben we de komende jaren te maken met:

  • Een toename in de behoefte om ons te kunnen verplaatsen;
  • Een toename van het aantal woningen (ondanks de gevolgen van het stikstofbesluit);
  • Een toename van vrijetijdsvoorzieningen, zowel in aantal m2 als in diversiteit;
  • Een toename van het bezit aan vervoermiddelen: auto’s maar zeker niet alleen auto’s. Fietsen zijn er in alle soorten en maten en voor diverse gebruiksdoeleinden;
  • Een toename van de gemiddelde leeftijd die we met zijn allen (willen) bereiken;
  • Een toename van de behoefte om ook op hogere leeftijd actief te willen blijven;
  • Een toename in dagelijkse beweging die nodig is met een langere levensduur, meer gezondheid, minder ziekteverzuim als beloning;
  • Een toename van de milieuproblematiek en daarmee de behoefte aan duurzame grondstoffen en vervoer;
  • En een toename van nog veel meer…

En toch blijft Nederland even groot. We willen dus meer en meer op minder ruimte en spelen erop in met andere mobiliteitsvormen die als paddenstoelen uit de grond schieten. En daarmee staan we voor de volgende stap: anders denken in de verplaatsing van A naar B.

European Mobility Week

De European Mobility Week vraagt terecht aandacht om het veilig(er) kunnen fietsen en wandelen. Modaliteiten die de minste impact hebben op het gebruik van de openbare ruimte, zowel ruimtelijk als qua kosten en milieu-impact. Files blijven toenemen in een van de beste fietslanden van de wereld. En dat terwijl we:

  • tweewielers hebben die een woon-werkafstand tot 15 km binnen acceptabele tijd kunnen afleggen;
  • in het algemeen 10 minuten lopen/fietsen van/naar een NS-station acceptabel vinden;
  • Een supermarkt voor dagelijkse boodschappen binnen enkele kilometers afstand van ons huis hebben, een uitzondering daar gelaten.

Investeren in infrastructuur voor fietsers en voetgangers blijft nodig. Iedere km nieuw fiets- of wandelpad betaalt zich terug in fysieke en mentale fitheid, beleving van de buitenruimte én ons milieu. Daarnaast moet er ook ‘tussen de oren een knop om’, met ‘honing- en azijnmaatregelen’. Diverse projecten in Nederland met werkgeversafspraken leiden tot structureel meer fietsgebruik in het woon-werkverkeer. En ja, belonen is daarvan een onderdeel, maar niet doorslaggevend. De interne motivatie en eigen voordelen winnen het op termijn van geld. Onder andere in Twente en Noord-Brabant zijn hiermee mooie successen geboekt en waarschijnlijk zijn er nog veel meer.

Zijn azijnmaatregelen nodig? Dagelijks filerijden lijkt me al een behoorlijke dosis azijn. Het is echter een gevecht met een lange adem. Gewoontegedrag is nog steeds onderdeel van onze mobiliteitskeuze. Het besef dat veel van onze dagelijkse verplaatsingen anders kan (én moet), moet bij veel Nederlanders nog verder doordringen. Wegbeheerders maken van Nederland een rijk fiets- en wandelland: we trekken niet voor niets jaarlijks honderdduizenden toeristen die komen kijken hoe we hier fietsen. En het is dus volkomen terecht dat in Europees verband de spotlight wordt gezet op de fietser en voetganger. Deze aandacht verdient een andere manier van denken in mobiliteit, waarbij fietsen en lopen niet automatisch vergeten worden. Het is nu aan de gebruiker om het te gaan ervaren.”

Anton van Osta